VAARVERBOD?
Inloggen | Reserveren | Zoeken
VAARVERBOD?
(uit het Lustrumboek 2011: ‘Driekwart Heel’)
‘Laat meneer maar gauw binnen …’
Oud-leden van studentenroeiverenigingen spelen een grote rol bij de oprichting van Cornelis Tromp. In de eerste plaats de heren Groote en Damsté. Door hun studenten-roeiverleden klikt het meteen tussen de beide mannen.
Onno Damsté is een van de initiatiefnemers voor de oprichting, net als de directeur van de Hilversumse dienst Publieke Werken, ir. J. F. Groote. Een topambtenaar die in de plannen voor de aanleg van het Hilversums kanaal ook een sporthaven tekent. Hij draagt niet alleen vanuit zijn werk bij aan de komst van het roeien naar Hilversum, maar neemt ook plaats in het eerste Trompbestuur.
Damsté beschrijft in het eerste lustrumboek van Tromp hoe hij, terugkerend uit Loosdrecht, met belangstelling ziet dat de zandzuigers in het Hilversums Kanaal al goed zijn opgeschoten en dat het kanaal lekker breed wordt. Het lijkt hem prachtig roeiwater. De plek tot waar het werk op dat moment is gevorderd, lijkt hem uitermate geschikt voor een botenloods. Hij is duidelijk enthousiast, want een dag later gaat hij op bezoek bij de Hilversumse burgemeester Lambooy met de vraag of er een mogelijkheid zou kunnen bestaan om er met een roeivereniging een stuk land te huren en er een loods te bouwen.
Het antwoord dat hij krijgt is verbluffend: de loods bestaat al. Op papier tenminste, maar ook nog eens op een veel gunstiger plek: een kilometer dichter bij Hilversum en met een fraaie eigen haven erbij. De burgemeester, die een uur voor zijn kennismaking met Damsté nog een gesprek heeft gehad met zijn directeur Publieke Werken, brengt de twee heren met elkaar in contact.
Damsté komt over roeien praten …
Groote, die mogelijkheden voor sport en recreatie in en rond het kanaal zag, heeft de sporthaven ingetekend. Hij schrijft in een Trompet uit februari 1951 dat hij zich de ontmoeting met Damsté nog goed herinnert: ‘Ik wil eerlijk bekennen dat het mij in die dagen wel eens bang te moede was. Nu kregen wij een sporthaven en wat daarbij hoorde, maar als al die schone, vrij kostbare zaken nu eens nauwelijks gebruikt zouden worden? Als de Gooiers nu eens geen lust tot roeien hadden, alleen maar in Loosdrecht bleven zwemmen, wat dan? Ik las in gedachte de ingezonden stukken al! Net zat ik er weer over te piekeren toen de raadhuisbode meldde dat Dr. Damsté, conrector van het Gemeentelijk Gymnasium, mij graag even wilde spreken. Damsté, deksels! Die naam was op zichzelf al een hele roeireputatie! “Laat meneer maar gauw binnen.” En zowaar, de heer Damsté kwam over roeien praten: was het waar dat er roeiwater in Hilversum kwam, met loods en meer schoons?’
Niet gek dat Groote de naam Damsté kende. Onno Damsté (1896) is de zoon van
prof. dr. P. H. Damsté, die in zijn studententijd roeide bij Njord in Leiden en zeker veertig overwinningen op zijn naam had, zowel nationaal als internationaal. De heren Groote en Damsté konden het waarschijnlijk meteen goed vinden samen, want enkele dagen later bezichtigen zij samen de loodsen van de Utrechtse roeiverenigingen en besluiten de Hilversumse loods te bouwen naar het voorbeeld van Triton.
Een andere zorg voor Groote is enige tijd of hij ooit de fondsen voor de aanleg van de sporthaven beschikbaar zal krijgen, want sport staat niet hoog op de politieke agenda. Groote: ‘We hadden een assistent, een kwaadaardig assistent nog wel: de werkloosheid.’ In veel steden worden grote bouwprojecten versoberd, en als werkverschaffing uitgevoerd. Groote meldt met trots dat het Hilversumse gemeentebestuur ervoor kiest om het nodige werk door te laten gaan en in de werkverschaffing iets te doen waar je anders niet zo gauw toe zult komen. Publieke Werken grijpt die kans en laat op die manier de haven graven en afwerken. Ook werkloze jongeren worden ingezet: ‘Tientallen opgeschoten jongens slenterden over de Groest, in de Kerkstraat, de handen in de zakken. Wat aanpakken was verleerden zij en wij zochten overal naar geschikte werkgelegenheid waar die jongens wat van konden leren en zaterdags met wat zakgeld naar huis konden gaan.’ Die jongens richten in het Oude Raadhuis op de Kerkbrink het Gooische Museum in, maken een theeschenkerij op Anna’s Hoeve en bouwen twee loodsen en steigers in de nieuwe haven.
De oprichting
Op een advertentie die Damsté en Groote in de plaatselijke bladen zetten, reageren enkele tientallen sportievelingen. Dat leidt uiteindelijk tot de oprichtingsvergadering, op 19 februari 1936. De vergadering wordt gehouden in het Trompenberg Palace Hotel, dat op de hoek van de Tromplaan en de ’s-Gravelandseweg staat, en in de jaren zestig onder de slopershamer verdwijnt. Dertig leden schrijven zich in, statuten en huishoudelijk reglement worden vastgesteld en een bestuur treedt aan, met dr. O. Damsté (voorzitter), mr. M. W. Jolles (secretaris), Th. Waller (penningmeester), ir. J. F. Groote (ondervoorzitter), mej. W. Both en mr. H. Fortuin. Het bestuur vergadert terwijl de zandzuigers nog zand zuigen, aan de loods wordt gewerkt en de leden geduldig moeten wachten op de dingen die komen. Op 18 april opent burgemeester Lambooy de loods aan de sporthaven. Het begin is er: een haven, een loods, een loodsknecht, vijf boten, veel enthousiasme en ook de nodige roei-ervaring, want onder de dertig leden van de splinternieuwe vereniging zijn oud-leden te vinden van alle Nederlandse studentenverenigingen.
De derde belangrijke man bij de start van Tromp is H. Aukema. Ook zijn relatie met Tromp dateert al van vóór 1936. De 35-jarige Aukema werkt als seizoenarbeider bij een botenbouwer in Loosdrecht. In de Waterkampioen leest hij dat in Hilversum een roeivereniging komt en hij zoekt contact met Damsté. Kennelijk maakt hij een goede indruk, want Damsté wil ook het bestuur met hem laten kennismaken, in de woning van mr. Fortuin. Aukema komt daar met een verheugd gezicht en uitgestoken handen binnen, bedankt het bestuur voor het in hem gestelde vertrouwen en spreekt de hoop uit op een goede samenwerking. Er wordt gesproken over een loon van zeventig gulden per maand. ‘Dan kom ik volgende maand in dienst’, constateert de nieuwe loodsknecht voordat hij opstaat en vertrekt, het bestuur onthutst achterlatend. Het pakt goed uit. Aukema blijkt een gouden keuze, zoals ook elders in dit boek te lezen is. In de archieven zijn vele lovende woorden over Aukema te vinden. Hij restaureert, repareert, bouwt, schildert, onderhoudt. ‘Maar even belangrijk en zegenrijk is zijn prettige persoonlijkheid, zijn innerlijke beschaving, zijn humor en zijn grote hulpvaardigheid’, aldus Damsté.
Voor de huur van de loods en het terrein betaalt Tromp de gemeente 1400 gulden per jaar. Bij de start van de vereniging geeft het bestuur obligaties uit. De belangstelling daarvoor valt vies tegen. Er wordt gehoopt op een startkapitaal van tussen de 3000 en 5000 gulden, maar er komt slechts 1700 gulden binnen. Toch waagt het bestuur het erop. Gelukkig groeit het ledenaantal al in het eerste jaar naar 150. Het entreegeld wordt omgezet in een obligatielening van vijftig gulden voor het botenfonds en zo weet de creatieve penningmeester de kas steeds kloppend te houden. Intussen worden betaalbare boten gevonden. Na één jaar is Tromp in het trotse bezit van vijftien boten, die gemiddeld ongeveer 160 gulden hebben gekost. Het is een slagvaardig begin van de Hilversumse Roeivereniging Cornelis Tromp.
Vreelandseweg 56 | 1216 CH Hilversum
T: 035 6249433 | ofni@ctromp.nl
Rekeningnummer: NL80SNSB0942150988
KvK nummer: 40516433
Foto's en Video's
ALV stukken, protocollen en reglementen, soos abc, veiligheidsplan, toertochten. TROMPmagazines en veel meer.